Ik wil vooreerst mijn dank uitspreken voor de uitnodiging. Het is een eer om commentaar te voorzien bij deze heruitgave van Inleiding tot het marxisme van Ernest Mandel.

Hoewel ik mezelf niet als ‘Mandelist’ zie en geen partijkaart van de Vierde Internationale heb (laat staan een partijkaart van een andere marxistische partij of organisatie!), kan ik me weinig auteurs voorstellen die zo’n diepe stempel op mijn marxisme hebben gedrukt.

Dat is een lenig, ietwat intellectueel marxisme — sommigen zullen het opportunistisch noemen. Maar het is wel een marxisme. Om die reden ben ik de Mandelianen een voordracht verschuldigd.

Mandel fascineert, vooral vandaag. In vele opzichten schijnt hij een twintigste-eeuws fabeldier — een mythologisch wezen uit een tijd toen de politieke dieren nog konden spreken.

Dat fabelachtige uit zich in een anekdote. Begin twintigste eeuw werd Trotsky door een van de aanhangers van de Bund, de organisatie van Joodse arbeiders, gevraagd of hij zich eerder Rus of Jood voelde. Trotsky antwoordde toen het volgende:

“Ik ben noch Rus, noch Jood. Ik ben een sociaaldemocraat.”

Niet-Joodse Jood

Dat was voor het uiteenvallen van de Tweede Internationale in 1914, toen de internationale arbeidersbeweging nog Vandervelde, Lenin en MacDonald in haar gelederen verenigde en Kautsky nog geen ‘renegaat’ was.

Ik heb geen passages gevonden in Mandels werk die naar deze anekdote refereren. Zij die zijn werk kennen en appreciëren, zullen hem er wel in herkennen. Mandel confronteert ons met iets dat vandaag zeldzaam is geworden: het ‘politieke dier’, zoals Aristoteles het noemde, een zoön politikon, dat zijn identiteit opbouwde aan de hand van een ideologie, niet aan de hand van overgeërfde kenmerken als etnie, geboortestad of natie.

Hij was in die zin een ‘niet-Joodse Jood’, zoals mede-trotskist Isaac Deutscher het uitdrukte: iemand die net door zijn Joodse afkomst in staat was tot een universalisme, dat enkel binnen de moderniteit echt mogelijk werd. Dat maakte hen krachtig en kwetsbaar tegelijkertijd.

Het hoeft geen betoog dat zowel Mandel als Deutscher elk Joods particularisme weigerden. Dat zou de emancipatie van Joden binnen de moderniteit terugdraaien en hen nationale eigenheid bezorgen (‘teruggeven’ is een ideologische categorie). Het opvallendste, en waarschijnlijk meest tragische voorbeeld daarvan, was het zionisme, dat vandaag zijn pijnlijk eindstation bereikt.

Dat is niet de trein waarop Mandel stapte, noch Trotsky of Deutscher (of Marx). Hoewel hun trein niet echt de terminus bereikte die ze hoopten, is het feit dat ze ooit een andere bestemming in gedachten hadden voor hun Jodendom, namelijk de opname in een universele mensheid in plaats van een specifieke natie, vandaag des te belangrijker. De paroxismen van het zionisme geven aan dat de weigering van het universele, of het najagen van een ‘wel Joods Jodendom’, een dubieuze onderneming is.

Mandel was niet alleen een Jood. Hij was ook een Belg — zelfs de meest vertaalde Belg na Simenon, zoals de aankondiging voor dit boek aangeeft. De onbepaaldheid was dus dubbel: Belgisch én Joods, allebei uitnodigend tot internationalisme. België is op zich een nogal stiefmoederlijk vaderland, dus moest de niet-Joodse Jood wel ergens anders een gemeenschap zoeken. En dat heeft hij gedaan: Mandel is het beste bewijs dat Vlaming of Belg zijn, allerminst synoniem moet staan met provincialisme.

Biografie

Naast Jood en Belg was Mandel nog iets anders: marxist, meer bepaald een trotskist. De lotgevallen van het trotskisme, als revolutionaire beweging buiten de staat, maar wel in instituties, overlappen sterk met Mandels privéleven. Dat laatste heeft voor sommigen niet echt bestaan, althans als we bepaalde biografen moeten geloven.

Dat maakt een biografie van Mandel ook geen evidente opdracht. Stutje heeft het geprobeerd, maar ik moet toegeven dat zijn latere werk, zoals de recente biografie van Hendrik De Man, toch beter is. Zijn werk over Mandel werd (terecht) niet warm onthaald door mede-trotskisten, waaronder Tariq Ali, die Mandel gekend hebben. Die biografie valt wat tegen.

Er zijn redenen voor die moeilijkheid. Een revolutionair leven verzet zich tegen coherente karakterportretten. Mandels leermeester Trotsky zag dat goed in. Hij omschreef het leven als revolutionair in volgende termen:

Het leven in de revolutie is een kampleven… Alles is ongewoon, tijdelijk, van voorbijgaande aard; men is zich bewust van die tijdelijkheid en drukt dit overal uit, zelfs in namen. Vandaar de moeilijkheid van een artistieke benadering. Het voorbijgaande en het episodische bevatten een element van toeval, en het toevallige draagt het stempel van onbeduidendheid. De revolutie, episodisch bekeken, lijkt volkomen onbeduidend. Waar is de revolutie dan?

Plakboek

Mijn ambitie in deze lezing is tweevoudig: enerzijds een bloemlezing van Mandels werk, alleszins een persoonlijke bloemlezing, met de vraag wat er in 2026 levend en minder levend is in zijn oeuvre. Dat betekent citeren, parafraseren, dus ik vraag vergiffenis voor de lange paragrafen. Dit is mijn plakboek uit de Mandel-omnibus. Ik veronderstel dat ik daarvoor een ontvankelijk publiek heb.

Anderzijds wil ik ook de vraagtekens in zijn denken behandelen. Dat doe ik in drie delen. Ik wil beginnen met een eerste deel over het historisch materialisme van Mandel, meer bepaald wat hij ‘parametrisch determinisme’ noemde.

Daarna wil ik naar een praktische toepassing daarvan kijken. Dat houdt een vraag in die heel veel politieke wetenschap bezighoudt: wat voor effect heeft een individu op collectieve processen? En wat impliceert dat voor een van de meest omstreden gewoontes van de marxist, namelijk de neiging tot voorspelling, voor velen een vorm van astrologie? Vooral wanneer marxisten om de haverklap een nieuwe wereldcrisis of imminente wereldrevolutie aankondigen.

Daarna, als derde punt, wil ik dat meer biografisch benaderen — vooral Mandels onbuigzame optimisme, of de ‘hoop tegen hoop’ waarover Sovjet-dissident Nadjezjda Mandelstam ooit sprak. Dat nam soms donquichoteske vormen aan, vooral over wat toen nog als de belangrijkste arbeidersklasse van de twintigste eeuw gold — de Duitse.

Taxonomie van de Sovjet-Unie

Dat heeft ook betrekking op zijn trotskisme, met zijn specifieke ‘bureaucratische’ theorie van de Sovjet-Unie. De aloude classificatiekwestie — wat was de Sovjet-Unie: staatskapitalisme, bureaucratisch collectivisme, of neo-feodaliteit? — lijkt nu verleden tijd. Ze heeft echter weinig aan pertinentie ingeboet. Marxisten die pretenderen dat deze vraag vandaag makkelijk is, doen aan zelfbedrog, naar mijn mening.

De taxonomie van de Sovjet-Unie is ook een indicator van het heterodox marxisme dat men aanhangt. Zulk trotskisme is ook onderhevig aan de typische tegenstrijdigheden, die elke schismatische oppositiebeweging sinds de Reformatie kenmerken: de moeilijke verhouding tot de moederkerk, die zowel vijand als voorbeeld is.

Men moet zich de reactie van protestanten voorstellen als het Vaticaan in elkaar zou stuiken en tot een pretpark zou worden gemaakt. Dat was zo’n beetje de trotskistische reactie op 1989: de lang verhoopte revolutie tegen de Sovjet-bureaucratie vond plaats, maar leidde niet tot een nieuwe arbeidersstaat. In de plaats kwam er een planeet verenigd in de markt, met de VS als arrogante voogd.

Lange tijd dachten trotskisten, waaronder Mandel, dat het degout met de politieke klasse dat daaruit voortvloeide, een revolutionair potentieel in zich droeg. Dertig jaar na datum lijkt die diagnose wat onwaarschijnlijk, om niet te zeggen foutief.

Tot slot wil ik het dus hebben over de grenzen van Mandels wereldbeeld, en over wat hij, puur speculatief, opwindend zou hebben gevonden aan het huidige tijdsgewricht. Ik wil ook praten over wat hem waarschijnlijk met minder vreugde en zelfs met afschuw zou vervullen.

Hedendaagse lezing van Mandel

Ik wil niet aan politiek buikspreken doen — ik neem elke interpretatie voor mijn rekening — maar het loont om Mandel expliciet hedendaags te lezen. Wat vertelt hij over het jaar 2026, met zijn nieuwe Koude Oorlog, nieuwe politisering en nieuw marxistisch denken en handelen, dat toch maar mooi het einde van de geschiedenis heeft overleefd en met horten en stoten zijn mars verderzet? “De geschiedenis is een stuk slimmer dan al deze slimme mijnheren bij elkaar”, zei Lenin ooit. Dat geldt nog meer vandaag.

Als we Mandel vandaag herlezen, ondervinden we immers een Verfremdungseffekt: sommige dingen komen ons erg vertrouwd over, agressief pertinent zelfs, terwijl andere achterhaald of archaïsch lijken, vondsten uit een vervlogen tijdperk. Er is vooreerst de veelzijdigheid: werk over marxistische economie, de Tweede Wereldoorlog, België, zelfs een materialistisch boek over misdaadromans.

Parametrisch determinisme

Daaronder valt wat we nu als revolutionair optimisme kunnen bestempelen. Dat optimisme veronderstelde een bepaalde capaciteit tot voorspelling. Die vaardigheid wordt doorgaans als verdacht gezien in de huidige sociale wetenschap. Maar voor Trotsky en Mandel — en, ik moet toegeven, voor mij ook persoonlijk — behoort ze wel degelijk tot de kernprincipes van het historisch materialisme.

Dat komt met wat voorwaarden. Mandel stelde in verscheidene geschriften, waaronder het boek dat we presenteren, dat het echte marxisme een ‘parametrisch determinisme’ is. Daarmee doelde hij op het idee, samengevat door Marx in die bekende zin uit de Achttiende Brumaire dat ‘mensen hun eigen geschiedenis maken, maar niet in omstandigheden die ze zelf kiezen’. Er zijn determinerende parameters, maar binnen parameters zijn er op zich geen vaste opties. Dat is de kern van de historische vrijheid die Marx, Mandel en Trotsky voorstonden.

We hoeven hier geen uitgebreide les sociale theorie te geven. Maar het loont om toch wat basispunten uit te zetten. De geschiedenis kent dus breed gesproken een logica, een grammatica, maar welke uitspraken ze zal doen, wat voor wilde kronkelingen ze zal maken over die lange curves heen, is op zich onvoorspelbaar. En dat is maar goed ook, volgens Mandel: mensen zijn vrije wezens, en enkel mensen die totaal geformatteerd zijn, zijn voorspelbaar. Dan bieden ze voer voor de econometrie.

Als er echte geschiedenis plaatsvindt, en mensen in plaats van object subject van historische verandering worden, zal dat net onvoorspelbare resultaten opleveren. Onvoorspelbaar betekent echter nog niet willekeurig. Mensen zijn vrij net omdat ze structuren hebben; in de beperking ontstaat het handelingsvermogen. Die basisinzichten probeerde Mandel ook in zijn niet-deterministisch — ik zeg dus niet, anti-deterministisch, maar non-deterministisch — marxisme uit te bouwen. Voor mij is dat ook de grootste verdienste van het boek dat we vandaag heruitgeven.

Laat ons dus iets zeggen over dat ‘parametrisch determinisme’. Dat is een probabilisme eerder dan een mechanisch determinisme; de onderbouw zet bepaalde opties uit, maar schrijft nog geen opties voor of determineert niet in eenzijdige zin. Dat is voor mij nog steeds de meest elegante articulatie van het marxisme die ik ooit ben tegengekomen. Ik citeer een kritiek van Mandel uit 1982, waarin hij een boek uit de school van het zogenaamde analytische marxisme bekritiseert:

Het dialectisch determinisme, in tegenstelling tot het mechanisch of formeel-logisch determinisme, is een parametrisch determinisme; het stelt de aanhanger van het historisch materialisme in staat om de werkelijke plaats van menselijk handelen te begrijpen in de manier waarop het historische proces zich ontvouwt en de uitkomst van maatschappelijke crises tot stand komt. Mannen en vrouwen maken inderdaad hun eigen geschiedenis. De uitkomst van hun handelingen is niet mechanisch bepaald. De meeste, zo niet alle, historische crises hebben verschillende mogelijke uitkomsten, en geen ontelbare toevallige of willekeurige; daarom gebruiken we de uitdrukking ‘parametrisch determinisme’, waarmee we verschillende mogelijkheden binnen een bepaalde reeks parameters aangeven.

Dat had voor Mandel natuurlijk ook wat duidelijke politieke gevolgen.

Rol van de persoonlijkheid

Het marxisme heeft een juist inzicht in de ambivalentie van sociale en politieke passiviteit en actie… Noch Hitler, noch Stalin was een onvermijdelijk product van de historische ontwikkelingen. Evenmin waren hun overwinningen onvermijdelijk. Ze waren het eindresultaat van ketens van acties en reacties, waarin het uitblijven van actie door bepaalde sociale krachten een sleutelrol speelde.

Daarmee hernam hij alleen een klassieke gedachte van Engels, die het als volgt formuleerde:

Mensen schrijven hun eigen geschiedenis, maar nog niet vanuit een collectief plan, en zelfs niet binnen een duidelijk afgebakende samenleving. Hun inspanningen botsen, en juist daarom worden al deze samenlevingen beheerst door de noodzaak, die wordt aangevuld en zich manifesteert in de gedaante van het toeval… Dat deze of gene man, en juist die man, op dat specifieke moment in dat gegeven land opstaat, is natuurlijk puur toeval. Maar haal hem weg en er zal vraag zijn naar een vervanger, en deze vervanger zal gevonden worden… als er geen Napoleon was geweest, zou een ander zijn plaats hebben ingenomen: Caesar, Augustus, Cromwell, enz. Zo is het ook met alle andere toevalligheden, en schijnbare toevalligheden, van de geschiedenis. Hoe verder de specifieke sfeer verwijderd is van de economische sfeer en die van de zuivere abstracte ideologie nadert, des te meer zal haar curve in een zigzag verlopen.

Dat brengt ons bij een tweede thema, ook al door Engels aangeraakt in de brief. Bij een parametrisch determinisme komt natuurlijk een specifieke kijk op het individu in de geschiedenis kijken, waarin de geschiedenis opties voorlegt aan individuen, die op zich ook door diezelfde geschiedenis zijn gevormd. Zoals Alex het stelt [in zijn voorwoord bij deze heruitgave]: “De ‘historische noodzaak’ levert historische actoren geen specifieke conclusies op. De algemene wet laat zich veeleer gelden in bijzondere ontwikkelingen. Het is te midden van de veranderende, bijzondere omstandigheden dat socialisten keuzes moeten maken en handelen.” Zoals Mandel in een bekend stuk voor de New Left Review optekende, waarin hij enkele gedachten van de vroege Russische marxist Plekhanov overnam:

Hitler als politiek figuur is het resultaat van een specifieke aaneenschakeling van omstandigheden: de ondergang van de kleine winkeliers, de massale werkloosheid onder de officiersklasse, de vernietiging van kleine financiële rekeningen door de inflatie, de antisemitische concurrentievrees van artsen en advocaten met weinig cliënten, de overproductie van overtollige academici, enz. Er liepen na 1918 letterlijk honderden potentiële Hitlers en Himmlers rond in Duitsland.

Het individu heeft een impact, maar moet opboksen tegen de grotere structuren, en moet als solist inspelen op wat de symfonie van de geschiedenis aanreikt. Dat is zowel een optimistische als een bescheiden conclusie.

Revolutionair optimisme

Dat brengt ons onvermijdelijk bij dat derde thema: het revolutionair optimisme van Mandel, dat ons vandaag zo oneigentijds overkomt. In zijn memoires uit 1930 stelde Trotsky dat hij “zonder brede historische voorspelling (zich) noch politieke werkzaamheid, noch geestelijke (kon) voorstellen.” Mandel stemde daarmee in.

Wel, in 1991 deed een kameraad van Mandel, Daniel Bensaïd, die ook een voorwoord voorzag voor deze nieuwe uitgave van de Inleiding, een voorspelling. Als leider van de Franse branche van de Vierde Internationale, voormalig boegbeeld van de achtenzestigersbeweging, zag hij de toekomst voor de mensheid somber in. “In de eeuwenoude strijd tussen het socialisme en de barbarij” sprak hij “heeft het laatste op het eerste nu een uiterst ruime voorsprong. We betreden de eenentwintigste eeuw met minder hoop dan onze voorvaderen aan het begin van de twintigste.”

Twee jaar eerder was de Berlijnse Muur gevallen — een gebeurtenis die ook voor Europese links een wrange nasmaak achterliet. Hoewel het merendeel van de linkse partijen altijd kritisch had gestaan ten opzichte van de Sovjet-Unie, ervoeren velen 1989 als desastreus.

In Italië stortte de Communistische Partij van de ene op de andere dag in. Met haar verdween de herinnering van wat ooit één van de grootste partijen van het naoorlogse Europa was geweest, die in de jaren zeventig nog op een kleine afstand van de staatsmacht had gestaan. In Engeland schrapte de Britse Labour-leider Tony Blair de zogenaamde ‘vierde clausule’ uit het partijprogramma, die sinds 1906 een “socialisering van de productiekrachten” had voorgestaan. De Franse Parti Socialiste wendde zich met Jacques Delors volop tot de vorming van een neoliberale Europese Unie.

In de jaren ‘70 had Mandel nog tegen Poulantzas geargumenteerd dat de Europese integratie binnenkort een kwalitatieve sprong zou nemen. Er zou een superstaat Europa komen, die tot een onafhankelijke pool in de nieuwe wereldorde zou leiden. Een voorbode voor de ‘verenigde socialistische staten van Europa’ waarover Trotsky in de jaren ‘20 had gespeculeerd.

Dat leek in de jaren ‘90 eventjes plausibel, maar werd snel gelogenstraft. Europa werd nooit een superstaat. Het bleef altijd een incoherent onderonsje van nationale elites. Vandaag is het meer en meer een Amerikaanse vazal.

Mandel dacht in 1989 ook dat de protesten tegen de Sovjet-dictatuur de lang beloofde revolutie tegen de bureaucratie zouden inluiden — ook in Oost-Duitsland. Zo zou een socialisme zonder apparatsjiks mogelijk worden. De Sovjetstaat leek volgens Trotsky en Mandel op een grote, corrupte vakbond: geen kapitalistische klassenmaatschappij, maar wel een conservatief syndicaat waarin een rode ambtenarij alle macht naar zich toe had getrokken. Vakbonden moesten kritisch gesteund worden, maar vooral gedemocratiseerd — net als de Sovjet-Unie.

Mandel paste eenzelfde formule toe op de dissidente bewegingen in Oost-Europa. In een tekst uit 1989 schrijft hij:

Hier is de grootste kans voor het democratisch socialisme sinds 1918… De supermachten zijn bang voor de besmetting die zich vanuit Oost-Duitsland naar de rest van Europa en naar hun eigen thuislanden zou kunnen verspreiden… Als het Oost-Duitse volk het bureaucratisch despotisme niet wil inruilen voor het despotisme van de markt, als het geen hereniging wil — dat wil zeggen, opname in een kapitalistisch West-Duitsland — dan is dat haar volste recht.

Het is anders uitgedraaid; dertig jaar later is Duitsland nog altijd ‘ongelijk verenigd’, zoals één socioloog het beschreef. Van waar die misschatting?

Er zijn wat redenen te bedenken. Zo stelde de Engelse marxist James Heartfield dat vele trotskisten de degout voor de officiële politiek als een revolutionaire kans aanzagen, die zich gemakkelijk naar links liet radicaliseren. Maar het ineenstuiken van het Sovjetblok leidde geen tijdperk van revolutie in, maar eerder verrechtsing op planetaire schaal. De Duitse revolutie die in 1918-1919 en 1945 nog dichtbij leek, ging niet door.

Zelfs het reformisme is niet meer wat het geweest is. ‘Hervormingen’ zijn vandaag vooral een alibi voor sociale afbraak. Dat blijkt nog meer in de leden van de Vierde Internationale die zich wél aan de staatsmacht hebben gewaagd. Ook daar komt een anekdote bij van pas…

Waar had hij de man al eerder gezien? Dat vroeg Tariq Ali — bekend Brits publicist en trotskistisch intellectueel — zich een paar jaar geleden af. Hij was tijdens een Belgische treinrit tegenover een leeftijdsgenoot komen te zitten. De man had hem al een tijdje zitten begluren. Als hij terugkeek, bedekte hij zijn gezicht.

Pas toen ze beiden uit de trein stapten, bood de man wat opheldering. “Je herkent me niet, Tariq”, zou hij gezegd hebben, “en dat is maar goed ook. Ik was vroeger een trotskist in België en zat in dezelfde internationale organisatie als die van jou. Nu ben ik minister van Volksgezondheid in de huidige Belgische regering.”

Ali reageerde verbouwereerd. “Nou, dat is al iets”, antwoordde hij, “je had ook minister van financiën of defensie kunnen zijn, iets om je gezicht voor te verbergen. Maar doe je dan iets fatsoenlijks?” “Dat moet jij maar zelf beoordelen”, antwoordde de minister.

Het kost ons Belgen niet veel moeite om de medepassagier uit Ali’s anekdote te herkennen, vooral in het licht van zijn deelname aan de huidige regering. Frank Vandenbroucke, nu voor de tweede keer minister van Volksgezondheid, heeft er net als Ali een verleden bij de Vierde Internationale opzitten. Ali had Mandel als mede-trotskist nog gekend; tijdens hun periode moet hij Vandenbroucke ook tegen het lijf zijn gelopen.

Belgische connecties

Mandels Belgische connecties mogen hier niet onvermeld blijven. Al begin jaren ‘60 stelde hij dat België “een levend voorbeeld van de wet van de ongelijke ontwikkeling (is) die de hele geschiedenis van het kapitalisme heeft gekenmerkt.” Voor hem was de toenmalige “structurele crisis van de Belgische economie een direct gevolg van het feit dat België het eerste geïndustrialiseerde land op het Europese vasteland was.” In de jaren ‘50 had Mandel zelf zijn eigen bijdrage geleverd aan reflecties over die crisis in de Belgische economie.

In een rapport voor het ABVV schreef hij over de nood aan zogenaamde ‘structuurhervormingen’, tegenover de kortzichtige politiek van de holdings. Mandel stemde in met een tactiek van publieke investeringen; later werd hij beschuldigd van klassencollaboratie en illusoire hoop op een ‘dynamisch’ kapitalisme, dat de arbeidersklasse tot een coalitie met technocraten veroordeelde.

Voor Ali en Mandel had het oude geloof nooit afgedaan. Dat lag bij Vandenbroucke natuurlijk anders. Na het Agusta-schandaal studeerde hij aan Oxford en werd een voorstander van een ‘actieve’ welvaartsstaat. In Conner Rousseaus gerenoveerde Vooruit vond hij dan onderdak als bestuurder, het bekende traject van de ex-communist.

Iets van het radicale verleden toont zich in Vandenbrouckes trots over de meerwaardebelasting, bekroning van een betwiste regeringsdeelname. 500 miljoen zou de belasting moeten opleveren. Daartegenover staan immers miljarden besparingen op andere domeinen. Op migratie slikte Vooruit al strengere voorwaarden rond gezinshereniging. Daarnaast ook de beperking van de werkloosheiduitkeringen in de tijd.

Bij Mandel gold het dilemma binnen de Belgische arbeidersbeweging nog tussen reformisme en revolutie. Vandaag, na dertig jaar verrechtsing, is van die tweespalt geen sprake meer. De keuze is nu eerder tussen deelnemen aan rechtse regeringen die zo hun eigen idee hebben van wat ‘hervormingen’ inhouden, of geheelonthouding.

Het is oneerlijk om Vandenbroucke als het voornaamste voorbeeld van ‘reëel bestaand trotskisme’ te behandelen. Dat klinkt wel erg bekend in de oren, zo niet staliniserend.

Mandel vandaag

Maar hoe zou Mandel dan naar het heden hebben gekeken, voorbij het flinkse reformisme van Vandenbroucke?

In de jaren ‘90 was Mandel verward door de golf aan depolitisering die over de kapitalistische wereld trok. Er waren nu weinig historische garanties voor marxisten. Sommigen spraken niet enkel over het ‘einde van de geschiedenis’ maar ook over het ‘einde van de revolutie’ — het levensproject van Mandel en zijn generatie. Marxisten kennen wel wat van persoonlijke geloofscrisissen, de ‘donkere nacht van de ziel’ in het christendom. Maar de huidige was wel buitengewoon veeleisend. Was er wel nog plaats voor een marxistische theorie van de geschiedenis in een tijdperk dat het einde van diezelfde geschiedenis had afgekondigd?

Dat waren de vragen van de jaren ‘90. Vandaag hebben we daarop wel wat antwoorden. Het marxisme heeft het einde van de geschiedenis overleefd. De politisering is terug, de lange postpolitieke ijstijd van de jaren ‘90 is ten einde; sommigen spreken zelfs van herpolitisering en van een verschijnsel genaamd ‘hyperpolitiek’. Die hyperpolitiek toont dat westerlingen zich weer interesseren in politieke kwesties en dat kapitalismekritiek weer openlijk bedreven kan worden. Het idee dat het kapitalisme crisisgevoelig is, een van Mandels kernpunten, is vandaag tot een publiek cliché geworden, zelfs in de burgerlijke pers — sla maar eens een pagina van De Tijd open.

Wat kan de wraak van de geschiedenis toch zoet proeven! Soms moeten marxisten gewoon wat geduld hebben.

De nieuwe hyperpolitiek is echter institutioneel amechtig: veel mobilisatie maar geen solide tegenmacht (ik probeer niet te veel reclame voor een boek te maken).

Een marxistische geschiedenistheorie, zoals Mandel die uitdraagt, is weer relevant in een tijdperk ná het einde van de geschiedenis. Maar Mandels mantra, dat politiek engagement weinig betekent zonder institutionele omkadering, is ook een les voor het heden. Trotsky kon nog zeggen dat hij zich geen Rus of Jood voelde, maar sociaaldemocraat. Dat kon enkel omdat er een partij was met die titel. Die deelde lidkaarten uit.

Dat inzicht had Mandel met zijn levenslange partijpolitieke engagement ook. Het is een waarheid dat het heden maar al te onverschillig laat: zonder instituties, en meer bepaald zonder sturende organen als partijen, is antikapitalistische politiek een permanent wachten op Godot.

“Het kan niet zo verder gaan”, zegt een personage uit dat stuk van Beckett op een gegeven moment. “Dat is wat jij denkt”, antwoordt de ander. Zo is het leven onder het kapitalisme zonder arbeidersoppositie, wist Mandel. Net daarom moeten we hem vandaag blijven lezen, in goede én in slechte tijden.

Dank voor het luisteren, en ik hoop dat u evenveel van deze heruitgave geniet als ik.