Elke Inleiding tot het marxisme is een interpretatie van het marxisme, omdat juist in een inleiding geprobeerd wordt de essentie ervan weer te geven. Wat marxisme is, daar waren en zijn marxisten het onderling vaak over oneens. Ik zal dus niet proberen om het boek samen te vatten, maar ik wil iets zeggen over het soort marxisme waar Mandel de lezers een inleiding toe biedt.

Mandels marxisme lijkt, op het eerste gezicht, gekenmerkt te worden door een paradox. Mandel noemde zichzelf namelijk met enige trots zowel een orthodoxe als een open marxist.

Orthodox marxisme

De orthodoxie van Mandel verwijst naar hoe marxisme voor hem, als een methode om menselijke samenlevingen te analyseren, een coherent geheel is. Zolang deze methode nieuw materiaal kan verwerken, hypotheses kan opstellen en deze ook weer wijzigen zonder deze coherentie te verliezen, kan er volgens Mandel van een wetenschappelijke methode gesproken worden. Bepaalde empirische claims kunnen weerlegd worden, zonder dat dit bewijst dat de marxistische methode weerlegd is.

Mandel schrijft in de Inleiding bijvoorbeeld dat de marxistische geschiedopvatting is dat ‘de manier waarop de mensen hun materiële productie organiseren de basis vormt van elke maatschappelijke organisatie.’ Zoals Mandel zou erkennen, is dit slechts een begin van een concrete analyse van menselijke samenlevingen. Het vormen van een ‘basis’ is geen directe en eenvormige bepaling. De beschrijving van de zogenaamd ‘primitieve gemeenschappen’ zonder klassen in de Inleiding is uit antropologisch en historisch oogpunt sterk in twijfel te trekken. Maar dit is nog geen weerlegging van de methode, wel een waarschuwing tegen het versimpelen van de complexiteit van menselijke samenlevingen.

De wetenschap moest voor Mandel de politieke praktijk informeren. Zonder een analyse van de samenleving en de mogelijke ontwikkeling ervan wordt politiek activisme richtingloos. Het vervalt dan ofwel in een zuiver moralisme, het beklagen van onrecht als doel op zich zonder strategie om dit onrecht tegen te gaan, ofwel in het tegenovergestelde: conformisme en het najagen van postjes als doel op zich. Voor Mandel was marxisme de methode om deze gevaren te omzeilen. Sociale theorie en politieke praktijk moeten samenkomen in de befaamde praxis.

Open marxisme

De analyse van de samenleving dient voor het formuleren van hypotheses en, naarmate de samenleving verandert, zullen ook die hypotheses aangepast moeten worden. Of in andere woorden: de analyse moet voortdurend geïnformeerd worden door feitenmateriaal. Mandel noemde dit, in een uitdrukking die later nog door andere marxisten gebruikt zou worden, een ‘open marxisme’. In een gesprek met de Duits-Italiaanse radicaal Johannes Agnoli uit hetzelfde jaar waarin deze versie van de Inleiding oorspronkelijk in het Nederlands verscheen, stelde Mandel dat het tot het ‘wezen’ van het marxisme behoort om ‘open’ te zijn: het voortdurend verwerken van veranderingen in de werkelijkheid betekent het marxisme verder ontwikkelen en nieuwe inzichten en ervaringen verwerken.

Categorische imperatief

Maar socialisme als politieke beweging valt niet samen met marxisme. Voor Mandel was een politiek, socialistisch engagement gebaseerd op wat hij de categorische imperatief van Marx noemde: ‘Het gaat erom alle verhoudingen te bevechten, alle instellingen te bestrijden waarin de mens een onderworpen, een verknecht, een verminkt wezen is.’ Die categorische imperatief stoelt in laatste instantie op de stelling dat ‘de mens de maat van alle menselijke dingen is.’ Of zou moeten zijn… ‘Dat is het postulaat dat aan de wijsgerige, levensbeschouwelijke en politiek-morele houding van Marx ten grondslag ligt’, zo schreef Mandel in een tekst uit 1988, nota bene getiteld ‘de getuigenis van Ernest Mandel’. En dit geldt ook voor Mandel zelf.

‘Twijfel aan alles’

De politiek beantwoordt aan andere criteria dan de wetenschap. Niet voor niets verwees Mandel verschillende keren naar Marxs lijfspreuk: ‘twijfel aan alles’. In de wetenschap gelden ‘criteria van verificatie en falsificatie, om een bepaalde stelling te staven of te verwerpen. Dat is de Marx die in een van zijn brieven ook duidelijk stelt: ik heb voor niemand zoveel minachting als voor wie beweert aan wetenschap te doen, maar die resultaten van wetenschappelijk onderzoek vervalst of vervormt om gelijk welke reden.’

Veel wat Mandel over Marx zei, geldt natuurlijk ook voor hemzelf. De Inleiding is een mooi voorbeeld van hoe Mandel die twee kanten van wetenschap en categorisch imperatief combineerde. Het is een boek dat zich over de menselijke geschiedenis uitstrekt en gebaseerd is op jarenlange studie van economie en geschiedenis. Tegelijkertijd is het een zeer politieke tekst die lezers oproept op te komen voor het ‘communistisch ideaal’.

Mandel als uitzondering

In 1999 noemde Gilbert Achcar Mandel een vertegenwoordiger van een welhaast met uitsterven bedreigde soort, namelijk een theoreticus van een militant, politiek actief marxisme. Dat maakte Mandel tot een zeldzaamheid en niet alleen in de jaren negentig. In zijn beroemde essay over ‘Westers marxisme’ uit 1978 noemde Perry Anderson Mandel ook een uitzondering. ‘Westers marxisme’ was volgens Anderson een resultaat van de nederlaag van socialistische revolutiepogingen in West-Europa. Dit had geleid tot een vorm van marxisme dat zich steeds meer terugtrok uit de politieke praktijk, steeds meer academisch van aard was en, in plaats van kwesties van politieke economie en klassenstrijd, zich richtte op vragen van een meer abstract en filosofisch karakter.

De traditie van Mandel, dat is dus de trotskistische traditie, stond volgens Anderson in wezenlijke opzichten in ‘polair contrast’ met het Westers marxisme. De traditie van Mandel ‘concentreerde zich op politiek en economie, niet op filosofie’ en was ‘onversaagd internationalistisch’. Bovendien sprak zij een ‘heldere en urgente taal’. Dat zijn kwalificaties die ook van toepassing zijn op de Inleiding tot het marxisme.

Marxisme via geschiedenis

In ongeveer 200 pagina’s poogt Mandel de geschiedenis van de mensheid te schetsen. Mandel leidt de lezers in tot het marxisme via de geschiedenis. Het is dan ook niet meer dan logisch dat de twee puur ‘theoretische’ hoofdstukken, over het dialectisch en historisch materialisme, aan het einde van het boek komen. Uit de historische materie lijkt als het ware het theoretische begrippenapparaat te herrijzen dat in deze twee afsluitende hoofdstukken wordt samengevat.

Deze historiserende lezing van Marx is sinds het eerste verschijnen van Mandels Inleiding sterk bekritiseerd. Om bijvoorbeeld de historische bestaansvoorwaarden van het kapitaal te kunnen ontwaren in de geschiedenis, moet men eerst een begrip hebben van wat kapitaal dan wel niet is. Louter naar het historische feitenmateriaal staren, is niet genoeg. Men moet een begrip hebben van wat men zoekt. Bij Mandel is dit beginpunt de strijd tegen uitbuiting en onderdrukking, klassenstrijd. Of zoals het tussenkopje op p. 9 luidt, ‘de opstand tegen de sociale ongelijkheid doorheen de geschiedenis’. Bij de Inleiding tot het marxisme — en ik zou zeggen in al het werk van Mandel — is het niet een economische categorie zoals kapitaal, maar een antropologische, die het beginpunt vormt. In den beginne was niet het woord, maar de daad en, meer precies gesteld, de opstand.

Mensbeeld

Aan deze visie op de geschiedenis ligt een zeker mensbeeld ten gronde. In hetzelfde jaar dat de herziene editie van de Inleiding tot het marxisme verscheen, 1980, schreef Mandel:

Als maatschappelijk producerend en communicerend wezen is de mens van nature coöperatief. De sprong van de klassenloze naar de in vijandige maatschappelijke klassen verscheurde maatschappij, die ongeveer 10.000 jaar geleden begon, heeft een reusachtige traumatische schok in het menselijk voelen en het menselijk denken veroorzaakt, juist omdat hij zo weinig aan onze coöperatieve natuur beantwoordde. Daarom is de geschiedenis van de mensheid niet alleen een geschiedenis van klassenstrijd, maar ook een geschiedenis van talloze verwachtingen, projecten, anticipaties, verzuchtingen, gedichten, verhalen, wijsgerige verhandelingen, politieke plannen en gevechten, rond het probleem: Hoe kunnen we naar de ‘gouden tijd’ van de klassenloze maatschappij terugkeren? Wat is de oorsprong van de maatschappelijke ongelijkheid? Hoe kan die maatschappelijke ongelijkheid weer opgeheven worden?

Rebellen

Om die visie op de geschiedenis toe te lichten, citeerde Mandel in dezelfde tekst de Oostenrijkse dichter Nikolaus Lenau. Deze had in 1842 — zes jaar voor het verschijnen van het Communistisch Manifest — een gedicht geschreven, vernoemd naar de Albigenzen, de christelijke ketters uit de dertiende eeuw. Volgens Lenau waren de Albigenzen een soort middeleeuwse proto-socialistische rebellen, die wegens hun streven naar vrijheid onderdrukt werden door de adel en de kerk. Mandel citeerde meer specifiek het slot van dit gedicht waarin op dramatische wijze verklaard wordt dat de autoriteiten er niet in zullen slagen ‘het licht uit de hemel of de zonsopgang’ te verhullen. Want de Albigenzen zullen opgevolgd worden door weer andere rebellen, tot en met de bestormers van de Bastille.

Den Albigensern folgen die Hussiten
Und zahlen blutig heim, was jene litten;
Nach Huß und Ziska kommen Luther, Hutten,
Die dreißig Jahre, die Cevennenstreiter,
Die Stürmer der Bastille, und so weiter.

[Na de Albigenzen komen de Hussieten
En wreken op bloedige wijze wat de eersten ondergingen;
Na Hus en Ziska volgen Luther, Hutten,
De Dertigjarige Oorlog, de strijders van de Cevennen,
De bestormers van de Bastille, en zo verder.]

Lenau wordt een van de voornaamste laat-romantische dichters genoemd en een typische vertegenwoordiger van Weltschmerz. We zijn hiermee op heel ander terrein dan dat waar Mandel normaal mee geassocieerd wordt: de studie van de meerwaardevoet, de lange golven in de kapitaalaccumulatie, de tendentiële daling van de winstvoet, et cetera.

Mandel staat niet bekend als een romanticus. Eerder geldt Mandel als een vertegenwoordiger van de Verlichting. In zijn voorwoord voor de uitgave uit 2007 associeert Daniel Bensaïd Mandel zelfs met Voltaire, als iemand die nog op gelukkige wijze kon hopen op een bevrijde toekomst, op een toekomst van waaruit gezien de verschrikkingen van de twintigste eeuw slechts ‘een lange omweg of een hinderlijke vertraging’ zouden blijken te zijn geweest. Mandel was, schrijft Bensaïd, ‘een klassiek humanist en een man van de Verlichting’.

In boeken als De Economische Theorie van het Marxisme en Het Laatkapitalisme bracht Mandel enorme hoeveelheden materiaal bij elkaar om de ‘wetten’ van de ontwikkeling van het kapitalisme te ontleden. Een van de redenen waarom de Inleiding zo’n rijk werk is, is natuurlijk dat het geschreven werd na al het onderzoek voor die eerdere klassiekers. Het was uiteindelijk de geschiedenis zelf waarop Mandel vertrouwde om het gelijk van het marxisme te bewijzen.

Of zoals Mandel schreef in de Inleiding:

Per slot van rekening zullen de feiten bevestigen welke theorie werkelijk wetenschappelijk is geweest, d.w.z. in staat is geweest het reële van al zijn tegenstellingen te vatten, zijn hele beweging te begrijpen, en welke veronderstellingen verkeerd zijn geweest, d.w.z. in staat om slechts een deel van de werkelijkheid te verklaren, door de delen te scheiden van het gestructureerde geheel, en daardoor niet in staat de beweging op lange termijn te vatten in zijn fundamentele dialectiek.

De overwinning van de socialistische wereldrevolutie, de opkomst van een klassenloze maatschappij zal in de praktijk de geldigheid bevestigen van de revolutionair-marxistische theorie.

Het optimisme van dit citaat lijkt niet alleen bepaald te zijn geweest door de tijd waarin het geschreven werd, maar ook door de behoefte om mensen tot handelen aan te sporen.

Socialisme of barbarij

Tegen het einde van zijn leven, in 1992, formuleerde Mandel tien algemene wetten van het kapitalisme. Nummer tien was dat kapitalisme niet uit zichzelf in elkaar zal storten. Wat echter wel bestaat is een tendens tot het combineren van steeds diepere crises, waardoor de mensheid steeds urgenter voor de keuze ‘socialisme of barbarij’ gesteld zal worden. Tegen het einde van zijn leven werden Mandels waarschuwingen tegen die barbarij steeds dringender.

Jan-Willem Stutje besluit in zijn biografie van Mandel, Rebel tussen droom en daad, de beschrijving van de begrafenis van Mandel met de woorden: ‘vaarwel aan een profetenleven dat het geloof in de mens verdiepte’.

Een profeet met een geloof, dat klinkt ook niet zo wetenschappelijk.

Was er misschien een weeffout in Mandel als denker en als persoon, een soort gespleten persoonlijkheid, aan de ene kant de wetenschapper, die economische groeicijfers napluisde, aan de andere kant de profeet, die naarmate het politieke tij keerde, zich ook steeds pessimistischer opstelde?

Dat denk ik niet, maar ik zou wel stellen dat in Mandels leven en werk een aspect zit dat hij zelf niet erkende, namelijk een zekere romantische kant. Laat me uitleggen wat ik daarmee bedoel.

Romantiek

Het doel van de marxist Mandel was natuurlijk een socialistische samenleving, zonder klassen, zonder uitbuiting, zonder staat. Mandel zelf wilde dit niet een utopie noemen. Hij sprak liever van een ‘concrete toekomstvisie’.

In het eerder aangehaalde gesprek met Agnoli stelt Mandel dat het streven van marxisten eigenlijk nogal bescheiden is: het gaat ‘slechts’ om het oplossen van een handjevol problemen, namelijk honger, armoede en oorlog beëindigen door het opheffen van het privébezit van de productiemiddelen en daarmee ook de scheiding van de mensheid in klassen en natiestaten opheffen. Ik weet niet zeker of Mandel erg ironisch was toen hij dit streven omschreef als een ‘bescheiden aanspraak’.

Zoals gezegd was volgens Perry Anderson Mandel een uitzondering omdat hij deze ‘bescheiden aanspraak’ zijn leven lang combineerde met studie en wetenschap in zijn politieke praktijk, terwijl veel Westerse marxisten zich juist terugtrokken uit de politiek. Volgens Anderson was een revolutionaire politieke praktijk, zoals die van Mandel, mogelijk gemaakt door de heropleving van sociale strijd in Europa na Mei ‘68. Anderson schreef dit in het midden van de jaren zeventig. Maar tegen het einde van de jaren zeventig, na het einde van de Portugese revolutie en de ‘gecontroleerde’ overgang naar burgerlijke democratie in Spanje tussen 1975 en 1978, was het duidelijk dat de vooruitzichten op een socialistische omwenteling in Europa weer snel afnamen.

Mandel liet zich echter niet ontmoedigen.

Moreel gebod

In laatste instantie sloeg Mandel de categorische imperatief (‘Het gaat erom alle verhoudingen te bevechten, alle instellingen te bestrijden waarin de mens een onderworpen, een verknecht, een verminkt wezen is’) hoger aan dan de theorie zelf. Volgens Mandel zou Marx, ‘zelfs als hij ervan overtuigd zou zijn geraakt dat een rechtvaardige, socialistische, klassenloze maatschappij onverwezenlijkbaar zou zijn’, er toch voor gevochten hebben om er in ieder geval zo dicht mogelijk bij te komen. Volgens de Marx van Mandel is de strijd voor de menselijke emancipatie een moreel gebod.

Verlangen

Mandel wees claims af als zou de geschiedenis het streven naar socialisme weerlegd hebben, door erop te wijzen dat de mens voortdurend nieuwe samenlevingsvormen produceert. Pas als de geschiedenis voorbij is, kan achteraf vastgesteld worden of socialisme mogelijk was of niet. Zolang die geschiedenis nog niet voorbij is, kan ook niet ‘bewezen’ worden dat socialisme niet mogelijk is. Anders gezegd: Mandels overtuiging was gebaseerd op iets wat niet is, op iets wat de gegeven werkelijkheid ontstijgt, op het verlangen naar de klasseloze maatschappij.

Dat Mandel, de man van de ratio, uitdrukking kon geven aan een dergelijk verlangen was een deel van de aantrekkingskracht van zijn werk. In zijn memoires beschrijft de Nederlandse historicus Ger Harmsen hoe hij in de jaren zeventig verschillende malen Mandel hoorde spreken en, in ieder geval tot hij weer buiten over beregende, troosteloze Nederlandse straten liep, begon te geloven in een socialistische omwenteling. Dat was opmerkelijk voor iemand als Harmsen, die al lang het idee van revolutie had opgegeven en eigenlijk een sterke afkeer had van trotskisten.

Het was ook dat verlangen waarin Mandel — nadat in de late jaren zeventig het politieke tij keerde, en, zoals Daniel Bensaïd het verwoordde, de ‘de deur van de hoop, die even op een kier leek te staan, weer gesloten werd’ — bleef volharden. Dat verlangen zou ik romantisch noemen. Mandel werd gedreven door de afwijzing van de hedendaagse kapitalistische samenleving en door een gevoel dat er iets verloren is gegaan, in dit geval de klasseloze samenleving. Zijn leven was een zoektocht naar die verloren wereld. Is dat niet bij uitstek een romantisch streven?

De mens, schreef Mandel, is een ‘maatschappelijk producerend en communicerend wezen’. Zonder ratio, zonder wetenschap is die maatschappelijke productie en communicatie niet mogelijk. Maar mensen zijn ook wezens die dromen en verlangen en zonder dromen en verlangen is die maatschappelijke productie en communicatie richtingloos.

Leven of dood

In een tekst getiteld ‘waarom ik marxist ben’, vatte Mandel zijn overtuiging als volgt samen:

Tenslotte ben ik een marxist omdat alleen het marxisme toestaat, ondanks alle verschrikkelijke ervaringen van de 20e eeuw, ondanks Auschwitz en Hiroshima, ondanks de honger in de “Derde Wereld” en dreigende nucleaire vernietiging, het geloof in de mensheid en haar toekomst zonder zelfbedrog in stand te houden. Het marxisme leert ons het leven en de mensen lief te hebben en positief te aanvaarden, zonder opsmuk, zonder illusies, in het volle besef van de eeuwige moeilijkheden en de onvermijdelijke tegenslagen tijdens de miljoenen jaren vooruitgang van onze soort, van de fase van de halfapen tot die van de ruimtevaarders en hemelbestormers. De bewuste controle over hun sociale bestaan veroveren is vandaag de dag voor deze soort een kwestie van leven of dood geworden. Zij zal er uiteindelijk in slagen, haar nobelste streven te realiseren: de opbouw van een humaan, klasseloos, geweldloos mondiaal socialisme.